MOMLIFE

DEEL 2: Wakker worden als een zombie

herseninfarct

GASTBLOG: DEEL 2

Onlangs schreef mijn man het eerste deel over zijn herseninfarct. Vandaag vertelt hij zijn bijzondere verhaal verder….. 

Het was dinsdagochtend. Chaya was met de kinderen aan het ontbijten toen ik wakker werd. Ik kijk op de klok en bedenk me dat ik wil opstaan. Moeizaam en traag klim ik rechtop in bed en voorzichtig schuif ik mijn benen over de rand. Op zoek naar aarde. De kamer is donker en ik kan mij moeilijk oriënteren. Pas als ik ga staan voel ik dat het echt foute boel is. De kamer draait om mij heen en een misselijk gevoel overvalt me. Alsof ik met een rubber bootje probeer oceaangolven te bedwingen. Strompelend loop ik naar de badkamer en iedere stap probeer ik mij staande te houden met mijn armen wijd tegen de muren. Alsof ik 3 liter wodka heb gedronken en ik uit alle macht probeer het toilet te halen. Maar ik ben nuchter. Hoe kan dit? Voorzichtig trek ik de badkamerdeur open. Ik lijk wel een zombie.

Op dat moment schieten zonnestralen door het badkamerraam in mijn ogen. Alsof ik geraakt wordt door een kogel in mijn ogen. Ik kniel op de grond en kruip als een wandelende tak naar het toilet. In het witte ceramiek van de toiletpot zie ik de contouren van mijn gezicht. Mijn ogen zijn dik en bloeddoorlopen. Mijn lichaam schiet in een soort van noodloop en ik begin te braken. Niet een kleine spuug, maar een beestachtige beweging, waar ik geen controle over heb. Als een foetus hang ik om het spierwitte glanzende porselein en blijf ik minutenlang braken. Maar er zit nauwelijks voedsel in mijn maag. Tranen rollen over mijn wangen, maar ik ben emotieloos. Ik voel niks meer. De verdoving maakt me kalm en sloom. Chaya komt binnen en vraagt hoe het met me gaat. Ze hoorde dierengeluiden uit de badkamer. Zo luid dat de kinderen er bang van werden. Daardoor spoedde ze de trap op en kwam ze bij mij kijken. Ik zeg dat het niet goed gaat en droog mijn gezicht af met een droge handdoek. Ik voel met mijn vingertoppen over mijn gezicht. Het voelt raar. Mijn vingertoppen voelen mijn gezicht, maar mijn gezicht voelt niet mijn vingertoppen.  Mijn linker gezichtshelft voelt alsof ik een fikse verdoving bij de tandarts heb gekregen.

Eerst een doof gevoel in mijn been en arm, nu mijn gezicht. Waar houdt dit op? Straks heb ik geen controle meer over mijn lichaam en wordt ik misschien wel verlamd. IK probeer niet aan die gedachte te denken. Chaya belt haar moeder om voor de kindjes te zorgen. Dan kunnen we samen naar het ziekenhuis. Voordat we naar het ziekenhuis mogen, moeten we eerst langs de huisarts. Die heeft gelijk tijd om ons te ontvangen. Chaya kleed me aan: Een kort trainingsbroekje en een t-shirt. Het is warm, dus ik schuif mijn witte Havaianas aan mijn voeten. Stap voor stap, met ondersteuning van Chaya strompel ik naar de auto. Als ik in de auto zit, zet ik mijn schrap en houd mij zo stevig mogelijk vast. Alles draait, behalve ik. Maar niks draait. Mijn hoofd draait van binnen. De eerste bocht die Chaya instuurt roep ik: “Rustig aan!” Het voelt alsof mijn hoofd van mijn nek af rolt. Als een watermeloen die los ligt in de kofferbak en iedere bocht aan het rollen gaat. Ik ben een pudding: slap en trillend.

We komen eindelijk aan bij de huisarts. Een invalarts met rode krullen en een tenger figuur. Zij neemt dezelfde testjes af als de Neurologe van vorige week. Ik voel alles en heb tot op zeker hoogte nog kracht in mijn lichaam. Maar het dove gevoel blijft. De arts weet niet wat het is. “Ik stuur je naar de spoedpost, daar wordt je opgevangen en gaan ze onderzoeken doen.”. Goed, we gaan. De onzekerheid zwelt op: In wat voor rit zitten we nu weer? Ik heb helemaal geen zin om ziek te zijn, laat staan in de onzekerheid te zitten met wat er met me aan de hand is. Dan komen we aan bij het ziekenhuis. Het brede pad van de parkeerplaats naar de entree lijkt een klein stukje, maar voelt als een steile helling. Stap voor stap vecht ik om binnen te komen. Ik houd mij voor dat ik veilig ben ik het ziekenhuis. Daar kunnen ze zien wat er mis met me is. En me beter maken.

Nadat Chaya me heeft aangemeld, nemen we plaats op de houten stoelen die op een statische rij zijn vastgenageld aan de muur. Ze zitten ruk en de rugleuning snijd in mijn huid. Hierdoor leun ik naar voren en laat ik mijn hoofd rusten op mijn handen. Mijn ellebogen steunen op mijn bovenbenen om niet om te vallen. We wachten bijna twee uur, wat voelt als 20 uur. “Meneer IJsseldijk? Komt u verder” zegt een verpleger. Verlossing, denk ik en strompel met hulp van Chaya naar een behandelkamer.

“We gaan wat bloed bij u afnemen om te kijken wat er scheelt”, zegt de broeder, een vriendelijke man van in de 50 met een Indisch uiterlijk en een klein brilletje op zijn neus.  “Daarnaast komt de dienstdoende neuroloog om u onderzoeken. Fijn denk ik. Hij rijdt een karretje met gereedschap naast het bed waar ik op lig en pakt een rollende kruk. “Ik ga een paar buisjes bloed bij u afnemen”. “Prima” mompel ik. “Laat je nog wel wat over voor de rest van de dag”? De broeder lacht ongemakkelijk zonder geluid en begint te tappen.

Na een uur komt er een dame binnen. In mijn ogen een jonge arts met een grote bos donkere krullen. Ik kan moeilijk plaatsen wat voor komaf ze heeft. Ik gok dat ze Iraans is. Ze komt wijs over, maar aan haar lichaamshouding kan ik zien dat ze zich ongemakkelijk voelt. “Ik ben Neuroloog in opleiding en kom u onderzoeken”. Naast haar komt nog een jonge vrouw staan. Ook een arts in opleiding. Ik kan me haar niet goed meer herinneren. Voor de zoveelste keer doe ik testjes waarbij mijn kracht en gevoel wordt getest. Ik voel aan de arts dat ze het ongemakkelijk vindt als ze mijn benen vast heeft. Ze vouwt mijn benen en vraagt kracht te zetten. Dat doe ik. Ze streept en prikt met een satéprikker onder mijn voet en vraagt wat ik voel. Ik voel alles. Wederom geef ik aan dat ik mijn been, arm en linkergezichtshelft niet meer voel. Soms slik ik woorden in of mompel ik. We moeten de bloeduitslagen maar afwachten, zegt ze. Voor morgen staat er een MRI scan gepland en dan kunnen we alles uitsluiten. Wel doen we nog een scan van je hart om dat veilig te stellen. Acuut gevaar is niet aanwezig, zegt de arts. Chaya pusht door om per direct een MRI te maken. Geen nood is geen spoed, vind het ziekenhuis. Een beetje meer of minder hersenbeschadiging, het maakt ze (de medische specialisten uit het ziekenhuis) geen moer uit. Ze komt nu een beetje arrogant over. Het voelt alsof ik mij aanstel. Ze vertrekt weer en ik blijf achter met Chaya. Ik wil rusten en val half in slaap. Na de check van mijn hart en het ontvangen van de bloeduitslagen zijn we vier uur verder.

De neurologe in opleiding duwt het gordijn rondom mijn bed open en gaat bij het voeteneind staan. “We kunnen niks vinden, maar we denken aan migraine”, zegt ze. Mijn hoofd ontploft, maar ik heb geen energie om te communiceren. Migraine?! Dat hebben toch alleen aanstellende vrouwen die aandacht willen? Denk ik, bekrompen. Ik zeg de arts dat ik niet denk dat ik migraine heb. Wat ik heb is heftig. Ik bevindt me in een noodloop van mijn lichaam. Mijn lichaam valt uit en ik ben mentaal een pudding met stukjes. Ik voel woede opkomen en zeg tegen Chaya dat we naar huis gaan. Ongemakkelijk verlaten we de behandelkamer. Ik voel me niet serieus genomen. Waarom duwen ze me niet gelijk in de MRI scanner? Ik heb geen energie om hiervoor te vechten. Soms voel je dat je geen energie wil stoppen in een probleem dat niet de moeite waard was. Had ik maar wel die energie op dat moment.  Maar ik was zwak, zwak als een gewond hert dat wil schuilen in een struik. Weggedoken voor gevaar en prikkels. Ik wil naar mijn bed met de gordijnen dicht.

Morgen komen we terug voor de MRI scan en dan kunnen pas echt zien wat er scheelt. We pakken onze spullen en strompelen weer naar de parkeerplaats. Chaya is ook woedend over de aangenomen diagnose. Zo’n jonge arts weet niet waarover ze praat. Te weinig ervaring. Waarom komt er geen echte neuroloog kijken? We rijden verbouwereerd terug naar huis. Liggen. In het donker zonder geluid. Als we thuis zijn kruip ik de trap op. Ik hoor mijn zoon aan Chaya vragen waar we waren. Ik  heb niet eens de energie om hem te zien, laat staan knuffelen en te spreken. Ik trek mijzelf in bed en ga op mijn rug liggen. Witte spikkels drijven over mijn netvlies. Ik lijk weer dronken. Laat het nu maar stoppen, dat gedoe. Ik val in slaap. Morgen wordt weer een lange  dag met artsen en uren wachten.

logo

 

 

Please follow and like us:

8 thoughts on “DEEL 2: Wakker worden als een zombie

  1. zo heftig zeg en dan het onbegrip en het wachten terwijl je weet dat er iets niet goed zit. E wat beelden kunnen doen, zo helder als je de dingen beschrijft, alsof ik er zelf naar zit te kijken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge